Pascale Platel

28/07/2018

HET ZWARTE GAT

BOENK

‘Hoe voel je je na al die optredens in de Gentse feesten?’, vraagt mijn tante.
Mijn tante is eind de tachtig en heel af en toe spreken we af op restaurant.
‘Ik ben in een zwart gat gevallen’, antwoord ik.
Het is stil.
Ze kijkt naar het papieren bootje dat ze net geplooid heeft.
En dan, ineens, heel zacht, zegt ze: ‘Boenk’

Mijn tante wil eigenlijk niet meer leven, maar ze vindt niet dat ze euthanasie kan plegen want ze is katholiek en dan doe je dat niet.
‘Wat doe je de hele dag?’, vraag ik.
‘Kruiswoordraadsels oplossen’, zegt ze en ze steekt de helft van haar kipfilet in haar handtas.
‘Voor morgen’, zegt ze.
De morgen die ze liefst niet zou willen halen.
‘Maar ik ben niet kapot te krijgen’, zegt ze gelaten.
Ze heeft niet graag dat ik vragen stel, maar is ook niet geïnteresseerd in wat ik te vertellen heb.
Ik voel mij gegijzeld in de tijd.
Moet mij daar gewoon zitten vervelen met haar.
Boenk. Samen in het zwarte gat.
Gelukkig is er airco, want buiten is het 36°C en in mijn appartement 47°C, denk ik.

Ik leg haar bootje op een krullewiet aan het venster.
Mijn tante kijkt naar haar handen en ziet niet wat ik doe.
‘Waar is uw bootje?’, vraag ik.
Ze heft haar hoofd op, haar ogen lichten op, ze zoekt alles af.
Op en onder de tafel, achter de plant, tot haar eigen kleren, maar ze vindt het niet.
Ze ziet het niet.
‘Koud, ijskoud, warmer, nee koud, warmer, warmer, warmst, heet!’, roep ik.
Plots ziet ze haar bootje van papier en we lachen.

We lachen.